Contact is geen luxe. Contact is de behandeling.
- René den Haan

- 1 aug
- 3 minuten om te lezen
We hebben de zorg de afgelopen jaren steeds 'slimmer' gemaakt.
We hebben triageteams. Intaketeams. Diagnostiekteams. Behandelteams. Nazorgteams. Evaluatieteams.
Als we zo doorgaan krijgen we straks ook nog een doorverwijsteam naar het doorverwijsteam.
Alles is georganiseerd.
Behalve het contact.
Dat is opmerkelijk. Want uit ruim tachtig jaar onderzoek weten we eigenlijk al dat één ding belangrijker is dan bijna alles wat we bedenken: een vertrouwd gezicht.
Niet nieuw. Wel hopeloos lastig te meten. En dus krijgt het vaak minder aandacht dan de productiecijfers en bekostiging. .
In de eerste helft van de vorige eeuw dachten we dat kinderen vooral voeding, hygiëne en structuur nodig hadden. Troosten? Dat zou ze maar verwend maken.
In ziekenhuizen mochten ouders soms maar één keer per week op bezoek.
In weeshuizen kregen kinderen keurige lichamelijke verzorging, maar nauwelijks warmte of aandacht.
En toen gebeurde iets wat niemand kon verklaren.
Kinderen kwijnden weg.
Niet door een virus. Niet door ondervoeding.
Maar door een tekort aan mens.
Onderzoekers als René Spitz legden het pijnlijk vast. Kinderen zonder een vaste, liefdevolle verzorger werden apathisch, ontwikkelden zich nauwelijks en sommigen overleden zelfs.
Harry Harlow liet later met zijn beroemde apenonderzoek zien dat jonge dieren liever een zachte knuffelmoeder zonder melk kozen dan een ijzeren moeder mét eten.
Een confronterende les.
Veiligheid zit niet alleen in voeding.
Veiligheid zit in verbinding.
John Bowlby maakte daar later een biologische theorie van. Nabijheid is geen luxe. Het is een basisbehoefte. Net zo fundamenteel als honger of dorst.
En toch lijken we die les in de (geestelijke) gezondheidszorg soms weer vergeten.
Mensen staan maanden op een wachtlijst voordat ze eindelijk de moed verzamelen om hun diepste pijn te delen.
Dan volgt de intake.
Eindelijk durft iemand zich kwetsbaar op te stellen.
Maar vervolgens krijgt hij te horen:
"Bedankt voor uw verhaal. U voldoet aan de criteria. U komt nu op de wachtlijst voor behandeling."
Een paar maanden later begint het opnieuw.
"Vertel eens... waar loopt u tegenaan?"
Alsof je na een eerste date meteen wordt doorgestuurd naar de volgende kandidaat.
Zelfs in het verpleeghuis zien we het gebeuren. Nieuwe gezichten. Nieuwe roosters. Nieuwe flexkrachten. Nieuwe overdrachten.
Voor de organisatie is het een rooster.
Voor iemand met dementie is het iedere dag opnieuw kennismaken met een vreemde die hem helpt wassen.
Wij noemen dat efficiënte personeelsplanning.
Het brein noemt het ontluistering en zelfs onveiligheid.
Juist overgangsmomenten zijn de momenten waarop mensen ontregelen. Niet omdat ze "moeilijk gedrag" vertonen, maar omdat de verbinding wordt verbroken.
Dat geldt voor een cliënt in de GGZ. De cliënt in de kliniek.
Dat geldt voor een bewoner met dementie.
Dat geldt eigenlijk voor ons allemaal.
Denk maar eens aan jezelf.
Je hoeft maar één huisarts te hebben gehad die je écht kende.
Eén collega die aan een halve zin genoeg had.
Eén psycholoog waarbij je niets hoefde uit te leggen.
Dat contact gaf rust.Niet omdat die persoon slimmer was- maar omdat veiligheid ontstaat wanneer iemand blijft.
Daarom moeten we mijn inziens stoppen met alleen investeren in processen.
En weer investeren in relaties.
In een vast gezicht.
Een warme overdracht.
Continuïteit.
Want de therapeutische relatie is geen aardige bonus.
Ze is de behandeling. Ze is de zorg.
En misschien moeten we onszelf bij iedere reorganisatie één eenvoudige vraag stellen:
Verdwijnt er straks een formulier... of verdwijnt er een vertrouwd gezicht?
Dat antwoord vertelt meestal alles wat je moet weten.




Opmerkingen