Nachtelijke onrust in het verpleeghuis!
- René den Haan

- 25 apr
- 3 minuten om te lezen
Waarom de nacht zo onrustig wordt in het verpleeghuis.
Overdag vallen onze bewoners steeds weg, maar ’s nachts lopen ze rond.
Iedereen die in het verpleeghuis werkt of komt, herkent het.
Ouderen met dementie die hun dag- en nachtritme volledig lijken om te draaien.
Ouderen die in de avond “naar huis willen”, onrustig worden, gaan dwalen en zoeken. En die vervolgens overdag uitgeput in slaap vallen.
We noemen het vaak “ontregeld gedrag”. Maar wat als het eigenlijk iets anders is?
Wat als het brein simpelweg de regie kwijt is?
Een brein dat niet meer weet wanneer het dag is
Bij dementie raakt de biologische klok ontregeld. Dat is te herleiden naar een klein gebiedje in de hersenen, de hypothalamus. Cellen in dat gebiedje krimpen en verdwijnen zelfs als gevolg van de ziekte van Alzheimer.
De hypothalamus is het interne systeem dat normaal feilloos aangeeft: nu is het dag, nu is het nacht. Deze krijgt zijn signaal via onze zintuigen, zoals licht en activiteit. En dat heeft grote gevolgen.
Overdag in het verpleeghuis is er vaak te weinig licht, te weinig beweging en zijn er te weinig prikkels.
’s Avonds is er: onrust, schaduw en een vermoeidheid die niet “doorzet” naar slaap.
Ook kan er juist sprake van overprikkeling zijn door alle drukte overdag.
Het gevolg? Het brein raakt in de war. Dag en nacht lopen door elkaar heen.
Maar er speelt nóg iets Slaap is meer dan rust. Het is het moment waarop het brein opruimt, ordent en emoties verwerkt.
Bij een gezonde slaap gebeurt er iets bijzonders: emotionele spanning wordt ’s nachts “losgekoppeld” van herinneringen.
Je weet nog wat er gebeurde - maar het voelt minder heftig.
Maar bij een verstoorde slaap lukt dat niet goed. En dat zie jje terug. De onrust van de avond (“ik wil naar huis”) is vaak geen praktische vraag, maar een emotionele: Onveiligheid. Verwarring. Verlies.
En als het brein die gevoelens ’s nachts niet goed kan verwerken,
komen ze de volgende dag gewoon weer terug. Soms zelfs sterker.
Wat we vaak doen (en waarom dat niet werkt)
We proberen het gedrag te corrigeren. “U moet nu slapen”;
“Het is nacht” en “Blijf maar in bed”.
Of we grijpen naar slaapmedicatie.
Begrijpelijk. Alleen medicatie geeft niet die diepe slaap en verwerking die eigenlijk nodig is (en sufmakers zorgen voor valgevaar!)
Maar het mist de kern. Want het probleem is niet dat iemand niet wíl slapen. Het probleem is dat het brein het niet meer kán organiseren.
Wat helpt dan wél?
Niet harder sturen — maar slimmer ondersteunen.
1. Licht is medicijn
Zorg voor zoveel mogelijk helder daglicht. Liefst dichtbij ramen, of naar buiten. Licht is dé belangrijkste prikkel voor de biologische klok.
2. Overdag actief, ’s nachts rust
Meer beweging en activiteit overdag helpt het brein om ’s avonds “af te schakelen”.
3. Voorkom dutjes (hoe verleidelijk ook) Elke keer dat iemand overdag wegzakt, wordt de nacht moeilijker.
4. Begrijp de avondonrust
“Ik wil naar huis” betekent zelden letterlijk wat er gezegd wordt.
Het is vaak een zoektocht naar veiligheid en herkenning.
Reageer dus niet op de woorden — maar op het gevoel.
5. Ritme, ritme, ritme
Vaste tijden voor opstaan, eten en naar bed gaan helpen het brein houvast terug te vinden.
Tot slot
Misschien moeten we anders leren kijken. Niet: “Waarom slaapt deze cliënt niet?”
Maar: “Wat heeft dit brein nodig om weer tot rust te komen?”.
Hoe kun je iemand zich veilig laten voelen?
Want achter die onrustige nacht
zit geen lastig gedrag. Er zit een brein dat de weg kwijt is - en onze hulp nodig heeft om hem terug te vinden.





Opmerkingen