Pensioen? Dat was toch ooit een eindstation?
- René den Haan

- 3 dagen geleden
- 3 minuten om te lezen
Er was een tijd dat pensioen voelde als de finish van een marathon.
Je werkte veertig jaar, kreeg een horloge van de baas, een slap applaus van collega's die je nauwelijks kende en vervolgens verdween je richting caravan, moestuin of campingstoel.
Dat was toen. Nu lijkt pensioen steeds meer op een tussenstop langs de snelweg.
Je bent 67, krijgt een brief dat je officieel met pensioen mag, en vervolgens vraagt de arbeidsmarkt of je maandag toch weer beschikbaar bent.
De cijfers liegen er niet om. Waar vijftien jaar geleden ongeveer 75.000 mensen na hun AOW-leeftijd doorwerkten, zijn dat er inmiddels meer dan een kwart miljoen. De groep werkende 65-plussers groeit sneller dan de voorraad leesbrillen bij de opticien.
En eigenlijk is dat best logisch. We worden ouder.
Niet alleen in jaren, maar vaak ook in mogelijkheden. Een 70-jarige van nu lijkt in veel opzichten meer op een 60-jarige van vroeger dan op de bejaarde die we nog steeds in ons hoofd hebben. De generatie die ooit werd afgeschilderd als kwetsbaar en afhankelijk, fietst tegenwoordig de Alpe d'Huez op elektrische ondersteuning voorbij terwijl jij buiten adem raakt bij het aantrekken van je sokken.
Maar achter die cijfers schuilt een ander gegeven. Want niet iedereen werkt langer om dezelfde reden.
Voor de één is werk een luxe. Voor de ander een noodzaak.
De hoogopgeleide consultant die op zijn 69e nog drie dagen per week adviseert over strategie noemt het "actief blijven". De stratenmaker met versleten knieën die hetzelfde doet, noemt het meestal iets anders.
Daar zit misschien wel de grootste paradox van onze tijd. We ‘vieren’ dat mensen langer kunnen werken, terwijl we soms vergeten te vragen of ze dat ook willen en nog kunnen.
De AOW-leeftijd is immers een administratieve grens. Geen biologische.
Ons lichaam heeft namelijk nog nooit een brief ontvangen van de overheid.
Je gewrichten weten niet dat je vandaag precies 67 bent geworden.
Je rug onderhandelt niet met Den Haag.
En dementie kijkt niet eerst even op de kalender voordat ze aanbelt.
Het idee dat miljoenen mensen op exact dezelfde leeftijd klaar zijn voor dezelfde levensfase is ongeveer even realistisch als denken dat iedereen dezelfde schoenmaat heeft. Toch organiseren we het systeem vaak alsof dat wel zo is.
De ironie is dat juist in de zorgsector, waar mensen dagelijks zorgen voor ouderen, de vergrijzing misschien wel het meest zichtbaar wordt. Steeds meer medewerkers zijn zelf 55-plus. De verzorgende die helpt bij het aantrekken van steunkousen heeft soms inmiddels zelf een fysiotherapeut.
Dat levert bijzondere situaties op. Binnenkort krijgen we misschien teamoverleggen waarin eerst gezamenlijk de bloeddruk wordt gemeten voordat de agenda wordt geopend. Of een bedrijfsuitje dat eindigt bij de reumatoloog.
Je kunt erom lachen.
En dat moeten we misschien ook doen. Want humor helpt wanneer de werkelijkheid ingewikkeld wordt.
En ingewikkeld is het.
De levensverwachting stijgt. De pensioenleeftijd stijgt mee. Maar chronische aandoeningen stijgen óók mee. Het aantal mensen dat de eindstreep van het werkende leven niet gezond haalt, groeit eveneens.
Dat maakt de discussie over langer doorwerken minder eenvoudig dan vaak wordt voorgesteld.
De vraag is namelijk niet alleen hoeveel jaren we kunnen werken. De vraag is vooral: welke jaren?
Een neurochirurg van 72 die nog scherp opereert is iets anders dan een bouwvakker van 72 die dagelijks zakken cement moet tillen.
Een psycholoog die nog gesprekken voert is iets anders dan een verpleegkundige die nachtdiensten draait op een afdeling waar de fysieke belasting groter is dan het gemiddelde fitnessprogramma.
Misschien moeten we daarom stoppen met praten over dé pensioenleeftijd. Ouder worden is niet als een lopende band is waarop iedereen precies hetzelfde product aflevert.
Mensen verschillen. Lichamen verschillen. Levens verschillen.
De ene zeventiger begint een nieuwe onderneming. De andere is op zijn zestigste al opgebrand. Beide verhalen zijn normaal.
De toekomst daarom niet in steeds langer werken, maar in steeds slimmer omgaan met de jaren die we hebben. Meer keuze. Meer flexibiliteit. Minder denken in leeftijden. Meer denken in mogelijkheden.
Want uiteindelijk is de vraag niet of we langer leven. Dat doen we al.
De vraag is wat we met die gewonnen jaren willen doen.
Doorwerken? Vrijwilligerswerk? Kleinkinderen verwennen? Een wereldreis maken? Eindelijk leren drummen in een rockband voor senioren?
Alles is goed. Zolang pensioen niet verandert in een situatie waarin mensen moeten blijven werken omdat hun lichaam op is, maar hun bankrekening nog niet.
Dat zou een vreemde definitie van vooruitgang zijn.
We worden ouder. Dat is een succes van de samenleving.
Maar een samenleving mag pas echt trots zijn wanneer mensen niet alleen langer leven, maar ook de vrijheid hebben om zelf te bepalen wat ze met die extra jaren doen.





Opmerkingen