top of page

Positieve gezondheid in de praktijk. Van hoe dan- naar doe dan!

Foto van schrijver: René den Haan
René den Haan
13 minuten geleden
7 minuten om te lezen

Als zorgprofessional hoef je niet altijd alle antwoorden te hebben om iemand verder te helpen. Soms kan een goede vraag meer in beweging zetten dan een goed advies.

Dat klinkt misschien eenvoudig. Toch zijn we als hulpverleners geneigd om snel met oplossingen te komen.


Dat is ook niet zo vreemd. We hebben immers voor dit vak gekozen omdat we mensen willen helpen. En helpen betekent in de zorg al snel: iets oplossen, advies geven, tips aandragen of vertellen wat iemand het beste kan doen.


Maar juist wanneer het gaat over mentale gezondheid, kan die reflex ons ook in de weg zitten. Want hoe meer wij voor iemand gaan bedenken en regelen, hoe groter de kans dat de ander achterover gaat leunen. De cliënt wordt ontvanger van onze oplossing, in plaats van eigenaar van zijn eigen verandering.


Ook zorgteams vragen vaak om advies. Maar een advies dat logisch lijkt vanuit onze deskundigheid, hoeft helemaal niet te passen bij deze cliënt of dit team. Het blijft immers óns advies. Er bestaan geen wetenschappelijk onderbouwde adviezen die voor iedereen en in iedere situatie werken. Ieder mens is uniek. Dus ook ieder probleem, iedere context en iedere mogelijke oplossing.


Dat wordt vooral zichtbaar wanneer de problematiek complex is of wanneer er tijdsdruk ontstaat. Hoe groter de zorgen, hoe sterker onze neiging kan worden om harder te gaan werken. We willen de situatie beheersbaar maken.


Bij suïcidaliteit is dat bijvoorbeeld heel begrijpelijk. Wanneer het over leven en dood kan gaan, willen we veiligheid organiseren. Maar ook daar is het belangrijk om niet alleen te kijken naar óns gevoel van veiligheid. Een cliënt kan denken: jullie hebben alle vinkjes gezet en een veiligheidsplan gemaakt, maar ik zit nog steeds met mijn gebrek aan hoop.


Juist wanneer de nood hoog is, moeten we dus oppassen dat we niet ongemerkt de regie overnemen.

Want harder werken betekent soms ook: meer invullen. We gaan interpreteren, adviseren en bepalen wat er moet gebeuren. Voor we het weten zitten we op de stoel van de cliënt. Daarmee nemen we ruimte weg om zelf na te denken over wat belangrijk is, wat mogelijk is en wat iemand nodig heeft.


En dat is precies die ruimte die mensen vaak nodig hebben: ruimte voor hun verhaal. Om gezien en gehoord te worden. Om serieus genomen te worden. Om iemand tegenover zich te hebben die nieuwsgierig is en niet meteen met een oplossing klaarstaat.


Onze ideeën over een cliënt kunnen bovendien sterk worden beïnvloed door wat er al in een dossier staat. Wanneer daar bijvoorbeeld een diagnose of een typering van de persoonlijkheid in staat, bestaat het risico dat we het gedrag vervolgens door die bril gaan bekijken. Iemand wordt dan al snel de narcist of de borderliner, in plaats van de mens met een geschiedenis.


Wanneer we iemand bijvoorbeeld niet alleen zien als iemand met borderlineproblematiek, maar ook als iemand die mogelijk vroegkinderlijk misbruik heeft meegemaakt en zich lange tijd alleen heeft gevoeld, verandert onze blik. Gedrag dat we eerst als lastig of problematisch zagen, kunnen we dan ook begrijpen als gedrag dat iemand ooit heeft geholpen om te overleven.


De vraag wordt dan niet alleen: hoe krijgen we dit gedrag weg? maar ook: wat heeft deze persoon nodig? En wat zou hij of zij zelf willen veranderen?


Dat is de kern van eigen regie. Eigen regie betekent zeggenschap over je eigen doen en laten. En dat betekent soms ook dat iemand ervoor mag kiezen om iets níét te doen. Zelfs wanneer wij denken dat een andere keuze beter zou zijn.


Dat geldt bijvoorbeeld voor ouderen die volgens beleid zo lang mogelijk zelfstandig thuis zouden moeten wonen. Wat als iemand dat helemaal niet wil? Omdat thuis wonen juist eenzaam of angstig voelt? Eigen regie betekent dan dat we niet automatisch onze oplossing als de beste oplossing beschouwen.


Van waarom naar hoe

De traditionele gezondheidszorg is sterk gericht op de vraag: wat is er mis met je? We analyseren klachten, zoeken naar oorzaken, stellen diagnoses en proberen vervolgens te bepalen wat eraan gedaan moet worden. Dat medische denkmodel heeft ons enorm veel gebracht.


Maar de menselijke psyche, relaties en het dagelijks leven laten zich niet altijd zo eenvoudig vangen in oorzaak en gevolg. Mensen zijn geen optelsom van symptomen. Ons functioneren wordt gevormd door alles wat we in ons leven hebben meegemaakt en door wat er op dit moment op ons afkomt.


Wanneer we ons uitsluitend richten op het probleem en steeds verder analyseren waarom iets gebeurt, kunnen we daardoor uiteindelijk vastlopen.

Soms helpt het beter om het waarom even los te laten en te kijken naar het hoe.


Niet alleen: Waarom lukt dit niet?

Maar vooral: Hoe kan ik, ondanks alles wat er gebeurt, toch een stap vooruit zetten in wat voor mij belangrijk is?


Daar sluit Positieve Gezondheid bij aan. De mens is immers oneindig veel meer dan zijn klacht of beperking. Ook mét een aandoening, beperking of moeilijke omstandigheden kan iemand zich betekenisvol, verbonden en goed voelen.

Maar dan ontstaat natuurlijk de praktische vraag: hoe doe je dat in de zorg?

Daar komt oplossingsgericht werken om de hoek kijken.


Oplossingsgericht werken richt de aandacht niet alleen op wat er misgaat, maar juist op wat al werkt, wat iemand belangrijk vindt en welke kleine stappen mogelijk zijn. Niet het doel van de hulpverlener staat centraal, maar het doel van de cliënt.

De basishouding is daarbij misschien wel belangrijker dan de vragen zelf: gastvrij zijn, erkennen wat iemand meemaakt, onvoorwaardelijk accepteren, nieuwsgierig blijven en niet te snel invullen voor een ander. Je houdt hoop, ook wanneer de ander die zelf even niet meer heeft.


De drie oplossingsgerichte lopers

We kunnen deze manier van werken praktisch maken met drie oplossingsgerichte lopers. Dat zijn sleutels die mogelijk potentiële (dichte) deuren van de cliënt kunnen openen. Het zijn geen stappen die je verplicht moet doorlopen, maar drie manieren om een gesprek op gang te brengen en samen te onderzoeken wat mogelijk is.


De eerste loper kijkt naar wat er al is en wat werkt.

Je vraagt bijvoorbeeld: Wat gaat er al goed? Waar ben je trots op? Wanneer lukt het wél?

Daarmee zoek je naar positieve uitzonderingen en kleine succeservaringen. Juist wanneer iemand vooral problemen ziet, kan het helpen om aandacht te geven aan wat ondanks alles al lukt.


De tweede loper kijkt vooruit. Dan gaat het over het doel. De bestemming.

Je vraagt: Waar hoop je op? Stel dat het morgen een beetje beter gaat, waaraan merk je dat? En waaraan zouden anderen dat merken?

Het hoeft daarbij helemaal niet om een groot doel te gaan. Een klein verschil kan al betekenisvol zijn. Door een gewenste toekomst concreet te maken, ontstaat ruimte voor hoop en perspectief.


De derde loper kijkt naar de eerste stap.

Als duidelijker wordt waar iemand naartoe wil, volgt de vraag: Wat zou een eerste kleine stap kunnen zijn? Wie of wat kan daarbij helpen? Wat heb je daarvoor nodig?

Het gaat niet om het maken van een groot plan. Vaak is juist een kleine stap haalbaarder. En belangrijker: de cliënt bepaalt zelf wat die eerste stap is.

Daarmee komen we steeds terug bij dezelfde basishouding: nieuwsgierig zijn, vertragen, niet invullen, aansluiten en hoop houden.


De schaalvraag

Een eenvoudige manier om dit concreet te maken is de schaalvraag.

Je kunt een verandering of hulpvraag voorstellen als een lijn van 0 tot 10. De 10 staat voor de gewenste situatie; de 0 voor de situatie waarin het probleem op zijn allerergst is.


Maar het interessante begint pas wanneer je gaat vragen wat die 10 precies betekent. Wat zou er anders zijn? Waaraan zou iemand merken dat hij daar is? Daarmee wordt de gewenste toekomst concreet en ontstaat vaak al een beetje hoop.

Vervolgens vraag je waar iemand nu staat. En vooral: wat maakt dat het cijfer niet lager is?


Die vraag is belangrijk. Want daarmee zoek je niet naar wat er ontbreekt, maar naar wat iemand al heeft gedaan, welke kracht al aanwezig is en wat blijkbaar al werkt.

Daarna komt de volgende vraag bijna vanzelf:

Wat zou een volgend klein stapje vooruit kunnen zijn?

Zo wordt de schaal geen meetinstrument, maar een manier om beweging zichtbaar te maken.


Geen trucje

Het gevaar is natuurlijk dat oplossingsgericht werken een nieuw trucje wordt. Dat we tijdens ieder gesprek denken: Welke vraag moet ik nu stellen?

Maar dat is nu juist niet de bedoeling.


Positieve Gezondheid en oplossingsgericht werken zijn geen verzameling handige gesprekstechnieken. Ze vertrekken vanuit een visie op mensen: mensen hebben veerkracht, mogelijkheden, eigen kracht en eigen regie. Iedereen is uniek. Als hulpverlener probeer je de mens achter de klacht te blijven zien en houd je hoop in wat mogelijk is.


De methode is dus niet het doel.

Het effect is het doel: de ander krijgt ruimte om zelf te ontdekken wat belangrijk en mogelijk is.


Dat betekent soms letterlijk dat je wat meer achteroverleunt. Je stelt een open vraag en wacht vervolgens af. Je geeft de ander de kans om na te denken. Niet omdat je niets weet, maar juist omdat je je deskundigheid anders inzet.


Je hoeft de oplossing niet vóór iemand te bedenken.

Je kunt iemand helpen om zijn eigen oplossing te vinden.


En die oplossing kan verrassend eenvoudig zijn.

Een vrouw die regelmatig verdrietig was, had bijvoorbeeld bedacht dat ze naar het toilet ging om daar te huilen terwijl ze de wc doortrok. Vanuit een klassiek hulpverlenersperspectief zou je dit kunnen beschrijven als disfunctionele coping of problemen in de emotieregulatie. Maar je kunt ook zien dat zij vanuit zorgzaamheid een manier had gevonden om haar naasten niet te belasten.


Als het werkt, waarom zouden wij het dan automatisch willen veranderen?

Een andere vrouw maakte na een gesprek een collage van dingen die haar een goed gevoel gaven. Wanneer ze somber werd en nadacht over de dood, pakte ze de collage erbij. De beelden herinnerden haar aan wat belangrijk voor haar was en hielpen haar om de hoop terug te vinden.

Dat zijn oplossingen die je als hulpverlener niet altijd zelf bedenkt.

En daarin zit de kracht van een goede vraag.


Morgen al beginnen

Je hoeft morgen geen expert in oplossingsgericht werken te zijn. Kies gewoon één vraag.


Vraag bijvoorbeeld:

“Wanneer lukt het al wél?”

Of:

“Stel dat het morgen een beetje beter gaat, waaraan merk je dat?”

Of:

“Wat zou een eerste kleine stap kunnen zijn?”


Misschien is vooral interessant om juist de vraag te kiezen die je normaal gesproken het minst snel zou stellen.

Want niet iedereen zit meteen op oplossingsgerichte vragen te wachten. Wanneer iemand gewend is dat anderen de oplossingen bedenken, kan het ongemakkelijk zijn om ineens zelf de regie te krijgen.


Een antwoord als “ja, maar…” kan betekenen dat de vraag te snel komt, niet aansluit of dat er eerst meer erkenning nodig is.

Ook dat is oplossingsgericht werken: niet vasthouden aan de methode, maar aansluiten bij de ander.


Je mag dus best eens zeggen:

“Mag ik je een beetje een rare vraag stellen?”

En dan gewoon vragen.


Want uiteindelijk gaat het niet om het perfecte antwoord. Het gaat om de ruimte die je iemand geeft om zelf na te denken.

Je hoeft niet altijd het antwoord te hebben om iemand verder te helpen.

Soms begint beweging met één goede vraag.



 
 
 

Opmerkingen


Inschrijfformulier

Bedankt voor de inzending!

©2022 door Positieve Focus
KvK 71266895 (René den Haan)

bottom of page