Samen kijken naar mentale gezondheid: van losse schakels naar één netwerk

De wachtlijsten in de GGZ zijn lang. Huisartsen en POH-GGZ krijgen steeds meer mensen met mentale klachten op hun spreekuur. Tegelijkertijd zien professionals in het sociaal domein dagelijks mensen die vastlopen in hun leven, vaak met klachten die zich ook als psychische problemen laten zien.
Iedere professional herkent het.
Iemand komt binnen met angst, somberheid, slaapproblemen, boosheid, eenzaamheid of gedachten aan de dood. Er is iets aan de hand. De vraag is alleen: wat is er precies aan de hand en wie kan het beste helpen?
Die vraag wordt steeds belangrijker.
Want mentale gezondheid laat zich niet netjes verdelen over de domeinen waarin wij onze zorg en ondersteuning hebben georganiseerd.
Een mens heeft tenslotte geen huisartsprobleem op maandag, een GGZ-probleem op dinsdag en een sociaal probleem op woensdag.
Het is één leven.
Van klacht naar mens
In de spreekkamer begint het gesprek vaak met een klacht. Dat is logisch. De klacht is immers de reden waarom iemand hulp zoekt.
Toch vertelt een klacht maar een deel van het verhaal.
Iemand kan somber worden na het verlies van een partner. Angstig raken door financiële problemen. Onrustig worden wanneer het netwerk kleiner wordt. Vastlopen na een lichamelijke beperking. Of steeds meer psychische klachten ontwikkelen doordat werk, relaties en gezondheid tegelijk onder druk staan.
Dezelfde omstandigheden kunnen bij de ene persoon leiden tot angst, bij een ander tot somberheid en bij een derde tot boosheid of terugtrekgedrag.
Daarom is het zo waardevol om naast de klacht ook de mens te leren kennen.
Wie zit hier tegenover mij? Wat is belangrijk voor deze persoon? Wat heeft eerder geholpen? Waar krijgt iemand energie van? En wat staat op dit moment in de weg?
Dat zijn vragen die in ieder domein gesteld kunnen worden.
Door de huisarts. Door de POH-GGZ. Door de psycholoog. Door de sociaal werker. Door de verpleegkundige.
De antwoorden kunnen vervolgens helpen om samen te bepalen wat passend is.
De reflex om te helpen
Als iemand tegenover je zit die vastloopt, ontstaat vanzelf de neiging om iets te doen.
Dat geldt voor iedere professional.
We willen veiligheid creëren, overzicht bieden, risico's inschatten en perspectief geven. Soms is dat precies wat nodig is. Soms is er direct handelen noodzakelijk.
Maar er zijn ook gesprekken waarin de belangrijkste interventie begint met vertragen.
Luisteren.
Een verhaal laten ontstaan.
Doorvragen zonder meteen een conclusie te trekken.
De tijd nemen om te begrijpen wat iemand bezighoudt.
Dat klinkt simpel. In de dagelijkse praktijk is het dat allerminst. Want de tijd is doorgaans beperkt en de hulpvraag kan groot zijn.
Toch kan juist een goed gesprek voorkomen dat we te snel in een behandel- of verwijspatroon terechtkomen.
Want wanneer iemand zich gezien en begrepen voelt, ontstaat er ruimte om samen te onderzoeken wat nodig is.
Dat is al een behandeling zijn.
Het kan ook ondersteuning in het dagelijks leven zijn, contact met anderen, een activiteit die betekenis geeft, praktische hulp of simpelweg iemand die een tijdje naast iemand blijft staan.
Een diagnose helpt, maar vertelt nooit het hele verhaal
Diagnostiek heeft een belangrijke plaats in de mentale gezondheidszorg. Een diagnose kan richting geven aan behandeling en helpen om klachten beter te begrijpen.
Tegelijkertijd is een diagnose nooit de hele persoon.
Dat klinkt vanzelfsprekend, maar labels kunnen ongemerkt invloed krijgen op hoe we naar iemand kijken.
Wanneer iemand eenmaal bekendstaat als bijvoorbeeld ‘narcistisch’, ‘borderline’ of ‘somatiserend’, kan gedrag gemakkelijk vanuit dat label worden geïnterpreteerd.
Dan wordt de vraag “wat gebeurt hier?” soms vervangen door “daar heb je hem weer.”
Dat is zonde.
Achter gedrag zit een mens met een geschiedenis, behoeften, mogelijkheden en kwetsbaarheden.
Een bewoner in een verpleeghuis die voortdurend aandacht vraagt, kan bijvoorbeeld worden gezien als lastig of claimend. Maar wanneer je langer luistert, kan hetzelfde gedrag een poging blijken om duidelijk te maken dat iemand zich alleen voelt, zich niet begrepen voelt of behoefte heeft aan nabijheid.
Het gedrag blijft hetzelfde.
De betekenis ervan verandert door het gesprek.
En daar kunnen verschillende disciplines elkaar versterken.
Wat werkt er al?
Oplossingsgericht werken biedt een mooie ingang om de aandacht te richten op wat iemand helpt om verder te komen.
Niet alleen onderzoeken waar iemand last van heeft, maar ook kijken naar momenten waarop het iets beter gaat.
Wat lukt er ondanks alles?
Waar krijgt iemand energie van?
Wie is belangrijk?
Wat maakt een goede dag?
Wanneer lukt het om even minder last te hebben van de klachten?
En wat doet iemand dan anders?
Dat soort vragen leveren verrassend veel informatie op.
Een vrouw met suïcidaal gedrag vertelde bijvoorbeeld dat ze haar hele leven hard had gewerkt en graag iets voor anderen betekende. Door een lichamelijke beperking was dat steeds moeilijker geworden. Daarmee verdween een belangrijk deel van haar gevoel van betekenis.
In haar jeugd had ze bovendien geleerd dat ze anderen niet tot last mocht zijn. Verdriet hield ze daarom zoveel mogelijk voor zichzelf, op de toilet waar ze tijdens een huilbui de toilet doortrok zodat anderen dit niet konden horen.
Je kunt dat gedrag beschrijven als een probleem in emotieregulatie of als disfunctionele coping. Of misschien wel als vermijdende persoonlijkheidstrekken.
Je kunt ook nieuwsgierig worden naar de kwaliteit die eronder ligt: haar sterke gerichtheid op anderen, haar zorgzaamheid en haar enorme vermogen om verantwoordelijkheid te nemen.
Die andere blik opent een ander gesprek.
Hoe heeft die zorgzaamheid haar geholpen?
Wanneer werkt die kracht tegen haar?
En hoe kan ze opnieuw van betekenis zijn, op een manier die past bij haar huidige leven?
Toen ze merkte dat het bespreken van haar verhaal bij de hulpverlener voor opluchting zorgde, merkte ze dat het hielp om meer te delen. En dat vroeg om meer van dat te doen, ook bij haar dierbaren.
Dat is oplossingsgericht werken in de praktijk: aansluiten bij wat iemand belangrijk vindt en van daaruit zoeken naar beweging.
De huisarts als verbindende schakel
In een goed functionerend mentaal gezondheidsnetwerk hoeft niemand alles zelf te kunnen.
De huisarts kan een belangrijke verbindende rol hebben, juist omdat hij of zij de patiënt vaak al langere tijd kent. De POH-GGZ kan ruimte bieden voor gesprekken en begeleiding. De GGZ beschikt over specialistische kennis en behandelmogelijkheden. Het sociaal domein kent de mogelijkheden voor participatie, ontmoeting, praktische ondersteuning en maatschappelijke verbinding.
Iedere discipline heeft daarmee een eigen waarde.
De uitdaging zit vooral in het verbinden van die kennis en mogelijkheden.
Daarvoor zijn korte lijnen nodig. Elkaar kennen. Weten wie er in de buurt werkt. Weten waar iemand terechtkan. Even kunnen overleggen zonder dat daar eerst een ingewikkelde verwijzingsprocedure voor nodig is.
Een huisarts die een psycholoog persoonlijk kent, verwijst anders dan een huisarts die alleen een organisatienaam in een systeem ziet staan.
En een sociaal werker die weet wanneer het verstandig is om met de huisarts of GGZ te overleggen, kan veel betekenen voordat problemen verder escaleren.
Het gaat dus om meer dan verwijzen.
Het gaat om elkaar weten te vinden.
Over de schotten heen
De beweging naar mentale gezondheid vraagt daarom iets van ons allemaal.
Van de huisartsenzorg. Van de GGZ. Van het sociaal domein.
En ook van de organisaties en financiers die deze zorg mogelijk maken.
We hebben de afgelopen jaren veel kennis en expertise opgebouwd. De volgende stap is om die kennis beter met elkaar te verbinden.
Daarvoor hoeven we onze eigen professionele identiteit niet los te laten.
Integendeel.
Juist wanneer duidelijk is wat ieder domein goed kan, wordt samenwerken interessant.
De huisarts hoeft geen psycholoog te worden.
De psycholoog hoeft geen sociaal werker te worden.
De sociaal werker hoeft geen GGZ-behandelaar te worden.
Maar we kunnen elkaar wel beter leren kennen en elkaars expertise benutten.
Daarmee voorkomen we ook dat iedere professional vanuit zijn eigen domein probeert het hele probleem op te lossen.
De paarse krokodil tussen ons in
Daarbij lopen we natuurlijk tegen systemen aan.
Financieringsstromen.
Wachtlijsten.
Indicaties.
Verschillende dossiers.
Verwijzingsroutes.
Omzetplafonds.
Verschillende definities van wat zorg en ondersteuning precies is.
Die systemen zijn niet bedacht om samenwerking moeilijk te maken. Toch ervaren professionals en patiënten regelmatig dat de werkelijkheid zo uitpakt.
Een patiënt wordt doorgestuurd.
Wacht.
Nog een keer verwezen.
Opnieuw het verhaal vertellen.
En ondertussen raakt het overzicht en het vaste gezicht kwijt.
De vraag “wie heeft hier eigenlijk de regie?” is dan heel relevant.
Daar ligt een gezamenlijke opdracht.
Niet om elkaar verantwoordelijk te maken voor de paarse krokodillen, maar om ze samen op te ruimen waar ze tussen mens en passende hulp in staan.
Wat is een goede uitkomst?
Ook daar kunnen we elkaar vinden.
Een goede uitkomst betekent niet voor iedereen dat alle klachten verdwijnen.
Mensen kunnen leven met chronische klachten, een beperking of psychische kwetsbaarheid en toch een betekenisvol leven ervaren.
Voor iemand kan herstel betekenen dat hij weer onder de mensen komt.
Voor een ander dat hij weer iets voor een ander kan betekenen.
Voor een derde dat er eindelijk iemand is bij wie hij zijn verhaal kwijt kan.
En voor iemand met ernstige psychiatrische problematiek kan een goede uitkomst juist betekenen dat er passende specialistische behandeling beschikbaar is.
De vraag is steeds: wat helpt deze persoon om zijn leven weer zo goed mogelijk te leven?
Dat is een vraag die de grenzen tussen huisartsenzorg, GGZ en sociaal domein overstijgt.
Laten we beginnen met dezelfde vraag
De beweging naar mentale gezondheid hoeft geen strijd tussen domeinen te worden.
Het is geen wedstrijd waarin de huisarts meer moet doen, de GGZ minder moet doen of het sociaal domein alle problemen moet oplossen.
Het is een uitnodiging om elkaar beter te benutten.
Om de mens centraal te houden.
Om naast diagnostiek ook nieuwsgierig te blijven naar wat iemand belangrijk vindt.
Om specialistische zorg beschikbaar te houden voor wie die nodig heeft.
Om eerder ondersteuning te bieden wanneer behandeling nog niet nodig is.
En vooral: om elkaar gemakkelijker te vinden.
Een mooie eerste vraag kan daarbij heel eenvoudig zijn:
“Wat is op dit moment belangrijk in je leven?”
En daarna:
“Wat zou je helpen om daar weer een klein stukje dichterbij te komen?”
Die vraag kan in de spreekkamer van de huisarts worden gesteld. In een gesprek met de POH GGZ. Bij een psycholoog. In de wijk. In het sociaal domein.
Daar begint verbinding.
Bij het gezamenlijke gesprek over de mens die voor ons zit.
Mentale gezondheid is van ons allemaal.
En goede mentale gezondheidszorg ook.





Opmerkingen