Bezorgd over passende zorg
- René den Haan

- 3 dagen geleden
- 3 minuten om te lezen
Er was een tijd dat de ggz begreep dat sommige mensen niet “genezen”, maar moeten leren leven met kwetsbaarheid.
Dat klinkt misschien somber, maar eigenlijk was het verrassend menselijk.
Er waren langdurige groepen, vaktherapieën, vaste behandelaren, plekken waar mensen konden landen als het misging. Muziektherapie, creatieve therapie, psychomotorische therapie – geen “leuke extraatjes”, maar manieren om weer een beetje verbinding te voelen met jezelf en met anderen.
Niet alles hoefde efficiënt. Niet alles hoefde meetbaar. En misschien nog wel belangrijker: niet alles hoefde opgelost.
Mensen met ernstige psychiatrische problematiek leefden vaak met een voortdurende kwetsbaarheid voor ontregeling. Angst, depressie, psychose, trauma, persoonlijkheidsproblematiek – geen tijdelijke hik in het functioneren, maar iets dat verweven raakte met een levensloop. Werk viel weg. Relaties strandden. Sociale netwerken verschrompelden.
En toch was er vaak iets van stabiliteit. Geen perfect leven. Geen glanzende herstelposter met iemand die na acht sessies “weer in zijn kracht staat”. Maar wel een bestaan waarin iemand zich gezien voelde. Waarin terugval niet meteen een systeemfout was. Waarin een opname soms gewoon onderdeel was van het leven, zoals iemand met epilepsie soms een insult krijgt.
Totdat 'we' besloten dat zorg een product moest worden.
Sinds de marktwerking zijn we psychisch lijden gaan behandelen alsof het een kapotte wasmachine betreft. Er moet een duidelijke klacht zijn, een behandelmodule, een afvinklijst, een resultaat en liefst een snelle afsluiting.
De ggz veranderde langzaam van een relationeel vak in een productieomgeving met KPI’s, declarabiliteit en behandeltrajecten die vooral kort moeten zijn.
De moderne heilige graal heet tegenwoordig: behandeluitkomst.
Alsof de complexiteit van een mensenleven netjes in een ROM-vragenlijst past.
De ironie is schrijnend. Juist de mensen die langdurige stabiliteit nodig hebben, worden voortdurend door een systeem gejaagd dat gericht is op afsluiten.
In de specialistische ggz wordt nog altijd gestuurd op het doen van zoveel mogelijk 'unieke' patiënt en intakes, zoveel mogelijk productie en liefst zo kort mogelijke trajecten. Want langdurige betrokkenheid is financieel onaantrekkelijk. Een cliënt die jarenlang “een beetje beter blijft” levert in spreadsheets weinig glorie op.
Maar de werkelijkheid van ernstige psychiatrische problematiek laat zich niet managen als een kwartaalrapportage.
Wat mensen met chronische kwetsbaarheid vaak nodig hebben, is helemaal niet spectaculair. Geen hippe Engelse methodiek met een duur congres erbij.
Maar een vast gezicht. Continuïteit. Iemand die niet schrikt van eigenaardigheden. Een plek waar je terug mag komen voordat het escaleert. Een groep waar je mensen kent. Een behandelaar die niet na acht sessies zegt: “We hebben de doelen toch behaald?”
Dat heet holding. Een psychologisch vangnet. Menselijke nabijheid georganiseerd in zorg.
En juist dát slopen we momenteel systematisch uit het systeem.
Het wrange is dat deze beweging niet eens voortkomt uit slechte bedoelingen. Ze komt voort uit een financieringssysteem dat fundamenteel verkeerd ontworpen is. Politieke wanbesluiten.
De risicoverevening in de ggz werkt namelijk onvoldoende. Verzekeraars draaien verlies op de ggz-patiënt, en hoe ernstiger of complexer de problematiek, hoe groter het verlies.
De prikkel is dus glashelder: vermijd langdurige en complexe ggz-zorg.
Met andere woorden: de patiënt die de meeste stabiliteit nodig heeft, is financieel het minst aantrekkelijk.
Dat zie je overal terug. Wachtlijsten. Afbouw van langdurige trajecten. Minder groepsaanbod. Minder vaktherapie. Meer druk op afsluiten. Meer administratie. Meer controle. Meer wantrouwen tussen verzekeraars en aanbieders. En ondertussen steeds minder tijd voor datgene waar psychiatrische zorg uiteindelijk om draait: een mens helpen overeind te blijven.
Want veel psychiatrische zorg draait niet om genezing, maar om het voorkomen van verdere ontwrichting. Dat is misschien minder sexy voor beleidsstukken, maar maatschappelijk van onschatbare waarde.
Een goede langdurige behandelrelatie voorkomt crisisopnames.
Een laagdrempelige groep voorkomt isolement.
Een vertrouwde behandelaar voorkomt escalatie.
Een tijdelijk bed voorkomt soms een complete maatschappelijke instorting.
Maar zulke opbrengsten verschijnen niet netjes in de korte-termijnmodellen van verzekeraars.
En dus ... blijven we investeren in controlemechanismen, productieprikkels en “state of the art”-behandelingen, terwijl de basis van goede psychiatrische zorg langzaam verdwijnt.
Positieve gezondheid begreep ooit iets essentieels: gezondheid is niet simpelweg de afwezigheid van klachten. Een leven zonder paniekaanvallen is nog geen betekenisvol leven.
Een psychosevrije maand betekent niet automatisch verbondenheid, zin of perspectief. Mensen hebben niet alleen symptoomreductie nodig, maar ook relaties, ritme, veiligheid, betekenis en ergens bij horen.
Maar dat soort dingen declareren nu eenmaal lastig. En dus organiseren we een systeem waarin behandelaren afgerekend worden op minuten, cliënten op “zelfredzaamheid” en langdurige afhankelijkheid bijna als moreel falen voelt. Terwijl sommige mensen nu eenmaal langdurige steun nodig hebben. Niet omdat ze niet willen herstellen, maar omdat kwetsbaarheid onderdeel is van hun bestaan.
De harde waarheid is deze: de ggz is niet te duur geworden omdat patiënten teveel zorg vragen. De ggz is duur geworden omdat we psychisch lijden proberen te vangen in een marktmodel dat er totaal niet voor geschikt is.
En ondertussen verliezen we precies datgene wat psychiatrische zorg ooit waardevol maakte: menselijke continuïteit.





Opmerkingen