top of page

De diagnose van de behandeling

  • Foto van schrijver: René den Haan
    René den Haan
  • 16 mei
  • 3 minuten om te lezen

Er is iets fascinerends aan hulpverleners. We kunnen een gezin in drie minuten classificeren, vijf formulieren invullen vóór de koffie koud is.


Maar dan begint de behandeling.

En daar gebeurt iets ongemakkelijks.


Therapie is alsof je met een groep mensen in een gammel bootje zit, midden op zee, terwijl iedereen een andere kaart vasthoudt en iemand roept:

“Volgens het protocol zouden we nu land moeten zien!”


De grote controledroom

In de zorg houden we van meten.

Sterker nog: soms meten we zo veel dat je bijna vergeet dat er ook nog mensen bestaan.

Nog een ROM-lijst.

Nog een monitoringsinstrument.

Nog een dashboard met grafieken waar managers opgewonden van raken.

Want meten geeft rust.

Of in ieder geval de illusie van rust.


Alsof complexe menselijke problemen zich netjes laten reduceren tot groene en rode balkjes in Excel.


Maar mensen zijn geen magnetronmaaltijden. Je kunt er geen standaardprogramma op zetten.


De meest pijnlijke diagnose

Het ironische is misschien wel dit:

We stellen voortdurend diagnoses bij cliënten…

maar zelden bij onze behandeling.

Terwijl de belangrijkste vraag misschien niet is:


“Wat klopt er niet met deze cliënt?”


Maar:

“Werkt wat wij doen eigenlijk wel?”


De therapeutische spiegel waar niemand zin in heeft

Client Directed Outcome Informed werken - CDOI voor ingewijden die graag afkortingen verzamelen - draait eigenlijk om iets heel eenvoudigs:


Je vraagt voortdurend feedback aan cliënten. Niet één keer aan het eind in een tevredenheidsformulier dat rechtstreeks de digitale prullenbak in vliegt.


Nee, tijdens de behandeling.

Hoe elpt dit gesprek?

In hoeverre voel je je begrepen?

Gaan we ergens heen?

Of zitten we samen professioneel te verdwalen?


Dat klinkt simpel.

Maar voor hulpverleners is dit ongeveer even comfortabel als een jaarlijkse APK mét spiegel onder de auto.


Want ineens kan een cliënt zeggen: “Eerlijk? Ik heb niet het idee dat dit helpt.”


Daar sta je dan.

Met je opleidingen.

Je protocollen.

Je certificaten.

Je zorgvuldig aangeleerde therapeutische knikje.


Feedback is geen aanval

En toch zit daar precies de kracht.

De beste therapeuten zijn meestal niet degenen met de dikste handboeken of de indrukwekkendste jargonbingo.

Het zijn vaak de professionals die durven navigeren.

Die niet obsessief vasthouden aan: “Maar zo hoort de methode uitgevoerd te worden!”

Maar nieuwsgierig blijven naar: “Wat heeft deze cliëntnú nodig?”


Dat is wat feedback zo interessant maakt.

Geen rigide behandelmachine.

Geen controlefabriek.

Maar samen leren. Bijstellen.

Improviseren.


De controleparadox

Hoe meer de zorg probeert alles dicht te timmeren met protocollen, metingen en standaardisering…

…hoe groter vaak de onmacht wordt.


Dus maken we nóg meer regels.

Nóg meer formulieren.

Nóg meer vinklijsten.

Dat is alsof je probeert een relatiecrisis op te lossen met extra Excelbestanden.

Succes daarmee.


De echte kwaliteit van hulpverlening zit namelijk zelden in perfecte controle.

Maar in afstemming.

In het lef om te vragen:

“Hoe is het voor jou wat wij hier doen?”


En vervolgens niet defensief te worden van het antwoord.

Misschien is dát wel professionele volwassenheid

Niet de therapeut die alles zeker weet. Maar de therapeut die durft te twijfelen.

Durft te luisteren.

Durft zijn aanpak los te laten als die niet werkt.


Want uiteindelijk is feedback geen bedreiging van professionele autonomie.

Het ís professionele autonomie.

De vrijheid om niet slaafs een protocol te volgen, maar samen met cliënten koers te bepalen.


Dus misschien moeten we in de GGZ minder obsessief bezig zijn met de diagnose van de cliënt…

…en iets vaker de diagnose van de behandeling stellen.

Dat is soms confronterend.

Maar meestal een stuk effectiever.



Opmerkingen


Inschrijfformulier

Bedankt voor de inzending!

©2022 door Positieve Focus
KvK 71266895 (René den Haan)

bottom of page