De Grote Orde van het Evidence Based Gelijk
- René den Haan

- 16 mei
- 3 minuten om te lezen
Er was eens, heel lang geleden, een koninkrijk dat Zorglandia heette.
Een land waar alles keurig geregeld was. Té keurig.
Iedere klacht had een protocol.
Iedere traan een richtlijn.
Iedere zucht een classificatiecode van twaalf cijfers.
In de hoofdstad stonden enorme kastelen vol wijzen in witte jassen die riepen:
“ALLEEN WAT MEETBAAR IS, IS WAAR!”
En dus werden therapeuten afgerekend op grafieken, vinkjes en productiecijfers. Niet op opluchting. Niet op hoop. Niet op een cliënt die na maanden eindelijk weer eens hardop lachte.
De koningen van de behandelmethodes voerden voortdurend oorlog.
“Koning Cognitief is de beste!”
“Nee! Keizer EMDR!”
“Ketters! Alleen Schema-Therapie brengt verlichting!”
Om erbij te mogen horen moesten brave burger-therapeuten dure boeken kopen, verplichte scholingen volgen en jaarlijks contributie betalen aan De Grote Orde van Het Evidence Based Gelijk.
Wie teveel sprak over zingeving, humor, intuïtie of écht luisteren… werd verbannen.
Naar Positivo Eiland (Door de gelovigen ook wel spottend genoemd: “Wappie-eiland.”)
Maar op Positivo Eiland gebeurde iets vreemds.
Mensen knapten daar op.
Niet door ingewikkelde modellen.
Niet door protocollen van 84 pagina’s. Maar doordat iemand zei:
“Vertel eens… wat helpt jou eigenlijk?”
Op het eiland woonde ook een zonderlinge therapeut.
Hij heette Guido de Goedbedoelende.
Guido had een revolutionair idee:
Misschien hoef je mensen niet voortdurend te repareren.
Misschien willen ze vooral gehoord worden.
Dus stelde hij vragen.
Luisterde hij aandachtig.
En probeerde hij zichzelf zo snel mogelijk overbodig te maken.
Dat maakte de koningen woedend.
“Maar waar zijn je formulieren?!”
“Waar is je protocol?”
“Hoeveel sessies declareren we voor hoop?!”
Elke keer als Guido iemand hielp, kreeg hij straf. Want tevreden cliënten telden minder zwaar dan correct ingevulde vinklijstjes.
Langzaam liep Guido leeg.
Zijn glas was niet langer halfvol.
Er zat niet eens meer water in.
Alleen een half opgelost magnesiumtablet.
Misschien, dacht hij, moet ik me maar bekeren.
Dus ging hij zelf in therapie.
Daar ontmoette hij een therapeut die streng zei:
“Je moet driemaal daags je gedachten uitdagen, een werkboek invullen en kleurcodes geven aan je emoties.”
“Maar ik ben gewoon moe…” fluisterde Guido.
“Dat staat niet in het protocol.”
Na maanden huiswerk, mindfulness-apps, ademcirkels en pillen met namen die klonken als Scandinavische meubelzaken, voelde Guido zich nog leger.
Tot hij op een avond iemand hoorde huilen achter een struik.
Een oude vrouw zat daar snikkend op een omgevallen dossierkast.
“Wat is er?” vroeg Guido.
“Nobody asked,” zei ze.
Dus ging hij naast haar zitten.
Hij luisterde.
Zonder diagnose.
Zonder behandelplan.
Zonder SMART-doelen.
En na een uur keek de vrouw hem verbaasd aan.
“Gek,” zei ze. “Ik voel me ineens lichter.”
Op dat moment gebeurde er iets wonderlijks. De dossierkast veranderde in een bankje.
De protocollen begonnen spontaan zichzelf te relativeren.
En ergens in het paleis kreeg een zorgmanager plotseling jeuk van het woord ‘productieafspraak’.
Guido begreep het ineens.
Mensen zijn geen machines.
Je helpt ze niet door harder aan de schroeven te draaien terwijl ze zeggen dat ze dorst hebben.
En vanaf die dag vocht Guido terug.
Niet met zwaarden.
Maar met nieuwsgierigheid.
Met humor.
Met echte aandacht.
En het mooiste? Steeds meer therapeuten sloten zich aan.
Stiekem eerst.
Fluisterend bij het koffieapparaat:
“Eigenlijk… werkt luisteren best goed.”
En zo verspreidde zich langzaam een gevaarlijk idee door Zorglandia:
Dat positieve gezondheidszorg en oplossingsgericht werken misschien niet begint bij behandelen…
…maar bij iemand eindelijk eens serieus nemen.





Opmerkingen