Deze handen
- René den Haan

- 22 mrt
- 2 minuten om te lezen
Er woont een man in rimpels en herinnering,
zijn naam glijdt zacht door gangen van de tijd:
Meneer Pietersen-
een mens van zonlicht in de plooi van zijn gezicht,
waar lachen nog altijd de weg weet
langs het verdwalen.
De jaren liggen op zijn handen
als dunne, breekbare bladeren,
vertellen zonder woorden
van alles wat gedragen werd—
van liefhebben tot loslaten,
van bouwen tot afbreken,
van blijven,
tot moeten gaan.
Zijn tanden zijn verhalen die ontbreken,
zijn geheugen een huis met open ramen
waar de wind vrij spel heeft.
Soms waait een naam naar binnen,
soms een geur, een flard van vroeger—
en soms alleen de stilte
die harder klinkt dan wat ooit gezegd werd.
Hij verloor zijn vrouw,
niet in één keer, maar in echo’s,
in de leegte naast hem aan tafel,
in het ontbreken van een hand
die hem kende zonder woorden.
En ergens onderweg,
tussen vallen en opstaan,
tussen “het gaat nog wel” en “het gaat niet meer”,
werd zijn wereld kleiner gemaakt -
ingekaderd in vier bij drie meter
en een doos vol overgebleven leven.
Daar zit hij dan.
Tussen foto’s die niet meer praten,
stoelen die hun verhaal zijn vergeten,
en een klok die tikt
alsof tijd nog iets uitmaakt.
Maar vergis je niet -
want onder de stilte leeft een storm.
Hij kijkt in de spiegel
en ziet misschien niet alles meer,
maar hij voelt nog
waar hij voor staat.
Die handen -
ja, die handen -
hebben levens gedragen,
gezichten gestreeld,
tranen weggeveegd,
lichamen verzorgd
en uiteindelijk ook losgelaten.
Ze trillen nu soms,
zoeken houvast in het iets,
en dragen nog steeds
de kracht van toen.
In zijn ogen -
die kleine, breekbare vensters -
schuilt nog altijd die jongen
die nergens voor terugdeinsde,
die het leven beetpakte
alsof het nooit zou ontsnappen.
Sommigen zeggen:
“Wat heeft het nog voor zin?”
Maar zij kijken verkeerd.
Want zin zit niet in wat blijft hangen,
maar in wat geleefd is.
Niet in scherpte van denken,
maar in de diepte van bestaan.
Meneer Pietersen weet dat,
al zou hij het niet meer zo kunnen zeggen.
Hij is er nog
in elke glimlach die onverwacht verschijnt,
in elke blik die even landt,
in elke adem die zacht bevestigt:
ik ben er nog.
Tot het einde wil hij er zijn
voor wie hem ooit heeft vastgehouden -
zijn kinderen, zijn alles,
de laatste ankers in een zee
die steeds verder uitwaaiert.
Waardig leven
Waardig sterven,
zo lijkt hij te fluisteren zonder stem,
is niet het vasthouden aan controle,
maar het behouden van jezelf
wanneer alles je ontglipt.
Dus als je hem ziet—
die lieve oude man,
zoekend, scharrelend,
misschien verdwaald in een hoek van de kamer,
woorden brekend als dun ijs -
kijk dan nog eens.
Kijk beter.
Zie geen verlies,
geen diagnose,
geen einde.
Maar een leven
dat nog steeds ademt
onder de oppervlakte.
Geen medelijden -
maar erkenning.
Want van binnen,
diep van binnen,
waar geen ziekte kan komen -
leeft hij.





Opmerkingen