Een NS-kaartje als doekje voor het bloeden
- René den Haan

- 4 jun
- 3 minuten om te lezen
"Laat de auto eens staan."
Het klinkt vriendelijk. Bijna uitnodigend. Alsof iemand je een kopje thee aanbiedt terwijl je huis onder water loopt.
Want ja, er is een oliecrisis. Ja, brandstof is duur. Ja, we moeten zorgvuldig omgaan met het milieu. Daar zijn de meeste Nederlanders het waarschijnlijk best over eens.
Maar dan komt de vraag die niemand in Den Haag lijkt te willen beantwoorden:
Waarom betalen Nederlanders nog steeds de hoofdprijs aan accijnzen en btw op brandstof, terwijl juist de mensen die het minst kunnen uitwijken het hardst geraakt worden?
De elektrische olifant in de kamer
De oplossing lijkt tegenwoordig altijd dezelfde te zijn:
"Koop een elektrische auto." Prima idee. Maar voor wie?
Voor de consultant die drie dagen per week thuiswerkt? Voor de manager met een leasebudget? Voor de beleidsmaker die op fietsafstand van het ministerie woont?
De timmerman in Drenthe, de thuiszorgmedewerker in West-Friesland, de leraar in Zeeland of de verpleegkundige die om half zeven moet beginnen, hebben meestal geen Tesla onder een zeiltje achter het huis staan voor noodgevallen.
Zij rijden omdat ze moeten rijden. Niet omdat ze dat zo gezellig vinden.
De kilometervergoeding: een symbolisch gebaar
Werkgevers mogen een beperkte kilometervergoeding geven. Dat klinkt aardig.
Tot je uitrekent wat er daadwerkelijk in de tank verdwijnt. De vergoeding voelt soms als iemand die bij een woningbrand komt aanlopen met een plantenspuit en roept:
"Zo, ik heb mijn bijdrage geleverd."
Je kunt er misschien een brood van kopen. Maar de benzinepomp accepteert helaas geen boterhammen als betaalmiddel.
En toen kwam de redding: een NS-kaartje van 49 euro
De overheid presenteert trots een nieuwe oplossing.
Voor 49 euro per maand onbeperkt reizen met de trein.
Klinkt fantastisch.
Tot je de kleine lettertjes leest. Alleen in de daluren.
De daluren zijn vóór 06.30 uur, tussen 09.00 en 16.00 uur en na 18.30 uur.
Met andere woorden: Precies op de momenten dat veel werkenden juist níét moeten reizen.
Het voelt een beetje alsof een bakker korting geeft op brood tussen twee en vier uur 's nachts. Technisch gezien is het een aanbieding. Praktisch gezien schiet niemand er iets mee op.
Voor wie is deze regeling eigenlijk bedoeld?
Deze regeling is geweldig voor:
dagjesmensen;
toeristen;
pensionado's;
mensen met veel vrije tijd;
mensen die zelf hun agenda kunnen bepalen.
Daar is niets mis mee. Maar laten we dan ook eerlijk zijn over de doelgroep.
De zorgmedewerker die om 07.00 uur begint, heeft er weinig aan.
De onderwijzer die om 08.15 uur voor de klas moet staan, heeft er weinig aan.
De monteur die om 08.00 uur bij de klant moet zijn, heeft er weinig aan.
Voor hen luidt de boodschap feitelijk:
"Leuk dat je wilt reizen, maar zou je dat misschien kunnen doen als je niet hoeft te werken?"
Je baas zal het vast begrijpen als je iedere ochtend na de spits arriveert.
De disclaimer die alles zegt
Nog mooier is de clausule. Het kabinet trekt 118 miljoen euro uit voor het project.
Wordt het succesvoller dan verwacht? Dan kan de regeling voortijdig worden stopgezet. Dat is ongeveer hetzelfde als een supermarkt die zegt:
"We hebben een aanbieding op melk. Maar als te veel mensen melk kopen, halen we de aanbieding weg." Normaal gesproken noemen we dat geen succesmanagement.
Het Luxemburgse experiment
Ondertussen gebeurde er iets opmerkelijks in Luxemburg. In 2020 werd het eerste land ter wereld waar het openbaar vervoer volledig gratis werd.
Niet omdat alle problemen daarmee opgelost zijn of omdat mensen daar plotseling geen auto's meer bezitten, maar omdat de overheid een duidelijke keuze maakte:
mobiliteit is geen luxeproduct, maar een publieke voorziening.
De boodschap was simpel: Verandering wordt niet bereikt door mensen voortdurend te straffen voor gewenst gedrag uit het verleden. Verandering ontstaat wanneer je een aantrekkelijk alternatief biedt.
De verkeerde reflex
In Nederland lijkt beleid steeds vaker gebaseerd op dezelfde gedachte:
Maak autorijden duurder.
Dan gaan mensen vanzelf iets anders doen.
Maar dat werkt alleen als mensen daadwerkelijk een alternatief hebben. Een verpleegkundige kan niet videobellen bij een wondverzorging. Een loodgieter kan geen leiding repareren vanuit Teams. Een leraar kan moeilijk vanuit zijn woonkamer een klaslokaal draaiende houden.
Voor honderdduizenden Nederlanders is mobiliteit geen keuze. Het is een voorwaarde om überhaupt te kunnen werken.
De echte vraag
Laten we stoppen met discussiëren over een tijdelijk dalurenkaartje van 49 euro.
De echte vraag is: Willen we een samenleving waarin werken loont, of een samenleving waarin de rekening van iedere crisis automatisch wordt doorgeschoven naar de mensen die iedere ochtend gewoon opstaan om het land draaiende te houden?
Want zolang brandstof zwaar belast blijft, kilometervergoedingen achterblijven, openbaar vervoer peperduur is en alternatieven vooral beschikbaar zijn voor mensen met veel tijd en geld, blijft zo'n NS-abonnement vooral wat het is:
Een sympathiek gebaar. Een doekje voor het bloeden.
En zoals iedere EHBO'er weet: een doekje werkt prima bij een schaafwond, maar niet als de patiënt een slagaderlijke bloeding heeft.





Opmerkingen