Gedrag van slag
- René den Haan

- 18 mrt
- 4 minuten om te lezen
Stel je voor: je hebt zo’n matroesjka-pop in je hand. Je draait haar open… en daar zit er nog één in. En nóg één.
Totdat je bij het kleinste poppetje komt.
Ons brein lijkt daar verrassend veel op. Alle lagen van wie wij zijn -ons geheugen, ons gedrag, onze emoties- zitten als het ware in die poppen verstopt.
En bij een haperend brein?
Dan verdwijnen die lagen langzaam.
Of, zoals we ook wel zeggen:
Je trekt steeds een jasje uit… maar er komt geen nieuwe meer bij.
Wat is een haperend brein?
Een haperend brein betekent dat het brein moeite krijgt met denken, voelen en doen.
Dat zien we bijvoorbeeld bij:
dementie (zoals Alzheimer)
een beroerte (CVA)
niet-aangeboren hersenletsel (NAH), Parkinson, een delier
of zelfs bij stress, slecht slapen of depressie
Belangrijk om te weten: gedrag dat verandert, komt meestal niet door “niet willen”… maar door niet meer kunnen.
Last in, first out: het brein ruimt achterstevoren op
Bij dementie gaat het brein niet zomaar stuk. Het volgt vaak een bepaald patroon:
Last in, first out
Dat betekent:
Wat je het laatst hebt geleerd… raak je het eerst kwijt
Wat heel oud is… blijft het langst bewaard
Dus:
De afspraak van vanochtend? Weg.
De naam van de kleinkinderen? Soms lastig.
Maar dat liedje van vroeger? Voluit meezingen
De buitenste jas gaat als eerste uit en de binnenste laag blijft het langst
De ui: laagje voor laagje
Sommigen vergelijken dementie met een ui.
De buitenste schillen: recente herinneringen en nieuwe vaardigheden
De binnenste kern: oude herinneringen, emoties en
zintuigen (voelen, ruiken, horen)
En het bijzondere is: die kern binnenste kern blijft vaak het langst intact
Dus ook als iemand weinig zegt of doet: kan muziek nog raken,
kan aanraking nog troosten,
kan een geur ineens een herinnering oproepen
Even belangrijk: het wisselt per dag (of per uur…)
Het brein is geen rechte lijn naar beneden. Soms lijkt iemand “een jasje terug aan te trekken”.
Bijvoorbeeld:
na een goede nacht → meer helderheid
bij vermoeidheid, pijn of stress → meer achteruitgang
bij ziekte of medicatie → ineens veel meer verward
Dus: Gedrag kan per dag (of zelfs per uur) verschillen
En dat is geen aanstellerij. Dat is het brein dat even beter… of juist slechter… werkt.
De Matroesjka-methode: vier ‘ikken’
In de Matroesjka-methode kijken we niet alleen naar wat iemand niet meer kan, maar vooral naar hoe iemand de wereld beleeft.
We onderscheiden vier herkenbare “ikken”:
1. De bedreigde ik (beginfase)
“Ik merk dat er iets mis is… en dat is eng.”
Wat zie je?
Vergeetachtigheid
Dingen kwijtraken
Zoeken naar woorden
Bewust van achteruitgang
Gevoel:
Angst
Frustratie
Onzekerheid
Soms ontkennen of verbergen
Gedrag:
Boos worden (“jij hebt het weggepakt!”)
Controle willen houden
Briefjes maken, lijstjes
Wat helpt?
Serieus nemen (niet bagatelliseren!)
Rust en structuur
Samen doen in kleine stapjes
Praten over wat nog wél lukt
Belangrijk: dit is vaak de fase waarin iemand nog zelf kan aangeven wat hij/zij belangrijk vindt.
2. De verdwaalde ik (middenfase)
“Ik weet niet meer waar ik ben… help me.”
Wat zie je?
Desoriëntatie in tijd en plaats
Moeite met dagelijkse handelingen
Verleden en heden lopen door elkaar
Gevoel:
Paniek
Ontreddering
Soms boosheid
Gedrag:
Dwalen
Zoeken
Onrust
Wat helpt?
Structuur en herhaling
Rustige communicatie (korte zinnen!)
Niet testen (“weet je nog…?”)
Aansluiten bij gevoel, niet bij logica
3. De verborgen ik (gevorderde fase)
“Ik ben er nog… maar je moet goed kijken.”
Wat zie je?
Terugtrekken
Weinig contact
Moeite met spreken
Gevoel:
Moeilijk zichtbaar, maar nog aanwezig
Gedrag:
Reageren via lichaam (gezicht, beweging)
Herhalende bewegingen
Wat helpt?
Zintuigen aanspreken (muziek, geur, aanraking)
Rustige omgeving
Observeren: wat vindt iemand prettig?
4. De verzonken ik (eindfase)
“Ik voel… dus ik ben er nog.”
Wat zie je?
Nauwelijks contact
Volledig afhankelijk van zorg
Gevoel:
Vooral via zintuigen (warm/koud, pijn, comfort)
Wat helpt?
Geborgenheid
Zachte benadering
Comfort en veiligheid
Iedereen is anders (echt waar!)
Hoewel deze fases helpen om te begrijpen wat er gebeurt, is er één gouden regel:
Er bestaat geen standaard dementie.
Wat invloed heeft:
karakter
levensgeschiedenis
copingstijl
omgeving
type dementie
Dus: Geen kookboek Maar maatwerk
Gedrag begrijpen = samen puzzelen
Als gedrag “van slag” is, kijken we altijd breder:
1. De cliënt
pijn? angst? vermoeidheid?
2. De interactie
hoe praten we? sluiten we aan?
3. De omgeving
drukte? lawaai? herkenning?
4. De organisatie
rust? structuur? duidelijke afspraken?
Positieve gezondheid & oplossingsgericht werken
In plaats van te vragen: “Wat gaat er mis?”
Vragen we:
“Wat werkt nog wél?”
Dat noemen we oplossingsgericht werken.
Kenmerken:
nieuwsgierig zijn
hoop houden
kleine stapjes waarderen
samen beslissen
zoeken naar wat al helpt
Want vaak is het er al: kleine succesmomenten (die we soms over het hoofd zien)
De grootste pop: wie iemand écht is
De grootste matroesjka-pop staat voor: de persoon zoals hij/zij was en nog steeds is
Met:
levensverhaal
waarden
gewoontes
krachten
Daarom is het belangrijk om te vragen:
Wat gaf vroeger plezier?
Wat is belangrijk?
Wie helpt?
Waar werd iemand gelukkig van?
Want zelfs als de buitenste lagen verdwijnen…
blijft de kern van iemand voelbaar aanwezig
Tot slot
Gedrag dat “van slag” is, is geen probleem dat opgelost moet worden.
Het is een boodschap.
Een brein dat zegt:
“Ik red het niet meer zoals vroeger… help me op een andere manier.”
En dat vraagt van ons:
geduld
afstemmen
kijken naar de laag die er nog wél is
en soms… een beetje humor
Want eerlijk is eerlijk:
Als iemand voor de derde keer vraagt waar zijn bril is… terwijl die op zijn hoofd staat…
…dan mag je best even glimlachen.
Mits je daarna helpt zoeken!





Opmerkingen