Ik ben hier
- René den Haan

- 22 mrt
- 2 minuten om te lezen
Mevrouw Jansen
Ze loopt door gangen die fluisteren van vroeger,
stappen zacht als vallende gedachten,
en kijkt-
met ogen vol verwondering-
naar een huis dat zich heeft omgekleed
zonder haar toestemming.
“Dit ken ik,” zegt haar blik,
“dit was van mij… toch?”
De dingen knikken zwijgend terug,
maar geven geen antwoord
dat blijft hangen.
Gezichten schuiven langs haar heen -
oude, breekbare spiegels
waarin ze iets herkent
en tegelijk niet wil zien.
“Stumperts,” denkt ze soms,
met een vleugje mededogen
en een restje kracht.
“Waarom helpt niemand hen?”
En voor even
recht haar rug zich nog,
neemt ze de rol weer op
die haar leven heeft gedragen:
de hoeder van orde,
de brenger van rust,
de vrouw die wist
hoe alles moest lopen.
Want zorgen zat nooit in haar handen-
het zat in haar wezen,
in elke vezel die zei:
ik vang wel op wat dreigt te vallen.
Maar ergens tussen toen en nu
is de richting zoekgeraakt.
“Waar zijn mijn kinderen?”
zweeft door haar gedachten
als een brief zonder adres.
“Je was hier toch net, mama?”
De tijd vouwt zich dubbel,
legt heden en verleden
over elkaar heen
tot niets nog precies past.
Haar vader werkt,
haar zusjes wachten,
de pannen staan al klaar -
de geur van soep
hangt ergens in haar geheugen,
maar haar keuken
blijft onvindbaar.
En dan-
plots een schaduw van verzet:
“Wat moeten ze toch van me?”
De stemmen om haar heen
klinken jong, te jong,
alsof het leven hen nog niet heeft getest.
“Laat me,” wil ze zeggen,
“ik weet heus wel hoe het moet.”
Want ze heeft geleefd -
niet voorzichtig,
maar vol.
Ze was moeder,
bouwer van dagen,
drager van zorgen
die niemand ooit zag.
Een vrouw met eelt op haar ziel
van het geven, geven, geven -
zonder ooit een rekening te sturen.
En nu,
nu de wereld haar handen loslaat,
blijft één vraag hangen
als een zachte pijn:
Wie vangt mij?
Niet met protocollen
of goedbedoelde woorden,
maar met iets dat lijkt op vroeger
-
een arm,
een blik,
een stil begrijpen
zonder uitleg.
Want diep vanbinnen -
onder lagen van verwarring,
onder het schuiven van tijd -
staat ze nog steeds recht.
Een vrouw
die levens heeft gedragen,
die lichamen heeft gewassen
bij het begin
en bij het einde.
Die wist wat het was
om te blijven
wanneer anderen al gingen.
Ze is er nog.
Niet altijd vindbaar,
niet altijd benoembaar,
maar voelbaar-
in flarden,
in plotselinge helderheid,
in een ogenblik dat zegt:
dit ben ik.
Dus als je haar ziet -
dwalen tussen momenten,
zoeken naar wat net nog zeker was -
kijk dan niet weg.
Buig niet over haar heen
met antwoorden die ze niet vroeg.
Maak haar niet kleiner
dan het leven dat ze droeg.
Ga naast haar staan.
Niet erboven,
niet ertegenin -
maar ernaast,
waar menselijkheid woont.
Geen medelijden -
maar respect.
Geen invulling -
maar afstemming.
En als ze even verdwijnt
uit het hier en nu,
blijf dan nog heel even -
want ergens,
achter de mist van het moment,
staat ze nog steeds
te wachten
om gezien te worden.





Opmerkingen