One size fits... eigenlijk bijna nooit
- René den Haan

- 16 apr
- 3 minuten om te lezen
“Goed nieuws!” zegt iemand opgewekt. “De therapie is opgenomen in de richtlijn.”
Ah. De heilige graal van de moderne ggz.
Een vinkje. Een protocol. Een behandelpad dat zo strak is dat zelfs een IKEA-handleiding er jaloers van wordt.
En begrijp me niet verkeerd: richtlijnen zijn goud waard.
Ze beschermen tegen willekeur, tegen kwakzalverij, tegen het wilde westen van “ik voel dat dit werkt, dus laten we het proberen met wierrook en een bezwering”. Ze zijn gebaseerd op onderzoek, op gemiddelden, op wat bij veel mensen helpt. (En ja.. da's wel zo handig voor de bekostiging).
Maar daar zit meteen de grap.
Gemiddelden bestaan niet in de spreekkamer.
Je zit daar niet met “de bipolaire stoornis volgens paragraaf 4.3”.
Je zit daar met iemand die slecht slaapt, bang is om weer te ontregelen, misschien rouwt om wat er verloren is gegaan, en ondertussen probeert een normaal leven te leiden met alles wat daarbij hoort.
En die persoon heeft – hoe onhandig ook – een eigen mening.
Over wat helpt.
Over wat niet helpt.
Over waar hij of zij op dit moment überhaupt ruimte voor heeft.
Dus ja, volgens de richtlijn “hoort” daar een bepaalde behandeling bij.
Omdat die bij een groep mensen met een vergelijkbare diagnose effectief bleek.
Maar ondertussen stel je in de praktijk hele andere vragen:
Past dit bij deze fase in iemands leven?
-Is er überhaupt energie voor deze vorm van therapie?
-Is er een klik tussen cliënt en behandelaar?
-En misschien nog wel de belangrijkste: voelt dit als iets waar iemand zich aan wil verbinden?
Want: een perfecte methode zonder vertrouwen is als een sportschoolabonnement in januari. Op papier veelbelovend. In de praktijk… tja.
En dan is er nog iets ongemakkelijks. Sommige therapieën laten zich nu eenmaal makkelijker onderzoeken dan andere.
Wat strak protocollair is, scoort goed in studies.
Wat rommelig, relationeel en moeilijk meetbaar is… heeft het wat lastiger.
Dus wat gebeurt er?
We meten stemming.
Of klachten.
Of terugval.
Maar hoe meet je zingeving?
Hoe meet je “ik voel me weer een beetje mezelf”?
Hoe meet je dat iemand eindelijk weer durft te vertrouwen op een
ander?
Precies.
En ergens, diep van binnen, zit ook nog een kleine spanning.
Bij professionals.
Want stel je voor dat iets werkt… wat niet in de richtlijn staat.
Iets eenvoudigs. Iets onverwachts. Iets wat je niet kunt vangen in een protocol.
Dat is prachtig.
En tegelijkertijd een beetje bedreigend.
Maar misschien mogen we het ook gewoon simpeler maken.
De ene mens is de andere niet.
De ene therapeut ook niet.
Met de één heb je een klik. Met de ander niet.
En zonder die klik kun je de beste methode ter wereld uit de kast trekken – het gaat hem niet worden.
Dus ja, er zijn veel stromingen binnen de psychologie.
Gelukkig maar.
De één heeft baat bij ontspanning.
De ander moet juist bewegen.
De één wil praten.
De ander wil eerst weer slapen.
De één vaart wel bij structuur.
De ander krijgt er jeuk van.
Misschien is de echte kunst van goede zorg wel dit:
Niet kiezen tussen richtlijn óf mens. Maar blijven bewegen daartussen.
Richtlijnen als kompas.
De cliënt als vertrekpunt.
En de relatie als voertuig.
En de rest?
Is eigenlijk verrassend praktisch:
Werkt het?
→ Doe er meer van.
Werkt het niet?
→ Stop. En probeer iets anders.
Maar nog vóór al dat proberen…
Maak contact.
Bouw vertrouwen.
Want zonder dat, past zelfs het mooiste dekseltje op geen enkel potje.





Opmerkingen