Pillenschema als dagbesteding?
- René den Haan

- 16 mei
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 20 mei
“Goedemorgen meneer De Vries, heeft u lekker geslapen?”
“Geen idee. Ik ben vooral druk geweest met mijn medicatieplanning.”
06:30 – pil tegen de hoge bloeddruk.
07:00 – iets eten vóór de diabetesmedicatie.
08:15 – inhalator.
09:00 – pil voor de botten, maar niet samen met calcium.
10:30 – wéér iets tegen de bloeddruk.
12:00 – eten. Maar niet te zout. Niet te vet. Niet te zoet. Niet te gezellig.
14:00 – controle of de ochtendmedicatie geen bijwerkingen veroorzaakt die weer nieuwe medicatie vereisen.
17:00 – tweede ronde inhalatie.
20:00 – slaappil.
21:00 – wakker liggen door de bijwerkingen van de slaappil.
En dan noemen we ouderen vergeetachtig. Volgens richtlijnen zou een oudere met een paar veelvoorkomende aandoeningen zomaar twaalf medicijnen in negentien doses op vijf momenten per dag kunnen krijgen voorgeschreven.
Alsof je van pensioen ongemerkt bent doorgeschoven naar een fulltime baan als medicatiemanager.
De ironie? Van die complete cocktail is vaak nooit goed onderzocht wat al die middelen sámen doen. De ene pil compenseert de bijwerking van de andere pil, die weer invloed heeft op aandoening nummer drie, terwijl richtlijnen meestal maar rekening houden met één extra ziekte tegelijk. Twee aandoeningen? Nog net. Drie? Dan begint het systeem nerveus te zweten.
En ondertussen vragen we ons in de zorg serieus af waarom mensen afhaken, fouten maken of “niet therapietrouw” zijn.
Misschien omdat niemand vrijwillig wil leven alsof hij een ingewikkeld bordspel is geworden?
Wat is eigenlijk normaal?
Dat is misschien wel de vreemdste vraag van allemaal.
Want hoe ouder iemand wordt, hoe sneller “normaal menselijk leven” verandert in een verzameling labels, classificaties en afkortingen.
Verdriet wordt een stoornis. Vergeetachtigheid een symptoom. Eenzaamheid wordt een diagnosecode. (Echter zonder vergoeding). En als je lang genoeg zoekt in handboeken, voldoet uiteindelijk iedereen wel ergens aan.
De psychiatrie worstelt daar zelf ook mee. Wat is ziek? Wat is menselijk? Wat is karakter? Wat is reactie op verlies, ouderdom of gewoon… het leven?
Ooit stond homoseksualiteit serieus als psychiatrische stoornis beschreven. Dat klinkt nu absurd. Maar het laat wel zien hoe sterk definities van “normaal” meebewegen met cultuur, tijdgeest en maatschappelijke opvattingen.
Soms lijkt het alsof we van ouder worden langzaam een medisch project hebben gemaakt.
Een oude man die na het overlijden van zijn partner stil en somber is? Depressieve kenmerken.
Een vrouw van 88 die vergeetachtig wordt terwijl ze tien soorten medicatie gebruikt?
Cognitieve problematiek.
Iemand die angstig wordt nadat hij drie keer is gevallen, zijn partner verloor en zijn wereld steeds kleiner ziet worden?
Angststoornis.
Maar misschien is dat niet altijd een stoornis. Misschien is het soms gewoon een menselijke reactie op een ingewikkeld leven.
De wonderlijke wereld van protocollen
Richtlijnen zijn nuttig. Natuurlijk. Niemand verlangt terug naar de tijd van “doe maar wat”. Maar protocollen hebben ook iets magisch gekregen. Zodra een classificatie is ingevuld, rolt ergens automatisch een behandelprogramma uit de printer.
Angst? Angstprotocol.
Somber? Depressieprotocol.
Slecht slapen? Slaapmodule.
Bestaan? Nog geen protocol, maar geef het tijd.
Het gekke is: wetenschappers kijken vaak naar gemiddelden van grote groepen mensen. Maar professionals in de praktijk kijken naar één mens tegelijk. En dat is nogal een verschil.
De gemiddelde oudere cliënt bestaat namelijk niet.
De gemiddelde oudere cliënt heeft niet alleen COPD. Of alleen diabetes. Of alleen verdriet. Die heeft soms alles tegelijk. Inclusief een kapotte knie, slecht gehoor, een overleden partner, zorgen om kinderen, slapeloze nachten én een plastic bakje met vakjes voor maandag tot zondag.
En misschien voelt hij zich wel prima.
Het leven laat zich niet netjes opdelen in losse hoofdstukken. Mensen zijn geen bouwpakket van afzonderlijke diagnoses.
Misschien moeten we weer beginnen met luisteren
Misschien moeten we ouderen minder behandelen als een optelsom van aandoeningen en meer als mensen met een verhaal.
Misschien moeten we soms durven vragen: “Waar wilt u eigenlijk zelf beter in worden?”
Niet:
“Hoe reduceren we symptoomscore 4B?” Maar:
“Wat zou voor u een goede dag zijn?”
Misschien wil iemand helemaal niet nóg een pil erbij. Misschien wil iemand gewoon weer zelfstandig naar buiten kunnen.
Of minder bang zijn.
Of beter slapen.
Of weer genieten van koffie zonder een bijsluiter van zes pagina’s.
Dat vraagt iets lastigs voor de zorg: ruimte voor nuance. Voor twijfel. Voor samen zoeken. Voor minder zekerheid en meer menselijkheid.
Want soms is de meest gezonde keuze niet méér behandelen.
Maar minder.
En soms is het grootste teken van
herstel niet dat iemand perfect binnen de richtlijn past…
…maar dat hij weer tijd overhoudt om gewoon mens te zijn.





Opmerkingen